De Oud-Katholieke Kerk van Nederland bezien vanuit een oplevende parochie
De Oud-Katholieke Kerk van Nederland is klein. Haar ledental reikt aan de tienduizend zielen. Ruim zesduizend daarvan worden aangemerkt als meelevend. Op 29 plaatsen in Nederland komen parochianen samen in een kerkgebouw voor de eredienst. Zij vormen een parochie, een statie of een kerngroep, respectievelijk met meer of minder organisatorische structuur. Naast de twee bisschoppen, Joris Vercammen en Bert Wirix, zorgen 31 geestelijken, priesters en enkele diakenen, voor de pastorale bediening van deze parochianen.
Tijdens een vakantie in Groot-Brittanie bezocht ik een kerkdienst aldaar. Na de dienst stelde ik mij voor aan de priester en zei dat ik oud-katholiek was. Daarop vroeg hij: "The old-catholics, aren't they dying out?" Ik was geschokt omdat de vraagsteller blijkbaar dacht dat het met deze kerk bergafwaarts ging.
Nu hebben mensen buiten de oud-katholieke kerk wel vaker gezegd dat het spoedig afgelopen zou zijn met deze kleine kerk. De toestand waarin de Oud-Katholieke Kerk zich in het verleden bevond gaf daar ook reden toe. Na haar verzelfstandiging in 1723 was zij op zichzelf aangewezen. In het begin van de negentiende eeuw werd haar toestand slechter door de afname van het ledental en door interne verdeeldheid. Pas aan het einde van de negentiende eeuw trad er verbetering op. Buitenlandse rooms-katholieken vonden toen aansluiting bij de kerk van Utrecht waardoor haar isolement werd doorbroken. Samen namen zij de naam van oud-katholieken aan, sloten in 1889 de Unie van Utrecht, en maakten een overeenkomst met gemeenschappelijke uitgangspunten voor het oud-katholieke geloof dat zij samen deelden.
Vanaf dat moment stonden de kerkleden in de Oud-Katholieke Kerk van Nederland in een gezond spanningsveld tussen traditionaliteit en moderniteit. Het ideaal was om veranderingen aan te brengen zonder daarmee een breuk te veroorzaken in het katholieke geloof dat terugging tot in apostolische tijden. Sindsdien zoekt zij in de Unie van Utrecht, in de relatie met anglicanen en orthodoxe kerken, en in de wijdere oecumene het contact en het gesprek met anderen. Dat zij dit doet is geen overbodige luxe, maar een wezenlijk onderdeel van haar identiteit.
In dit spanningsveld tussen traditionaliteit en moderniteit blijft het geloof de hedendaagse mensen aanspreken, ook in een tijd waarin kerken te kampen hebben met leegloop en een tekort aan priesters. In de synode, op gemeentevergaderingen, in het individuele gesprek, op huisbezoek, in de liturgie, op catechisatie participeren kerkleden. Zij zijn naast de geestelijken medeverantwoordelijk voor het reilen en zeilen van de kerk. Hierdoor wordt betrokkenheid gekweekt of bevorderd. Lid zijn van de Oud-Katholieke Kerk is geen vrijblijvendheid, maar een keuze die verplicht. De ontwikkeling in de Oud-Katholieke Kerk dat mensen steeds meer lid worden door toetreding en dat steeds minder mensen lid zijn 'van huis uit' is niet toevallig. Deze ontwikkeling past bij de structuur van de kerk. Deze structuur voorkomt dat de leden kerkvolk zijn, dat op grote afstand van de geestelijkheid zijn eigen gang gaat. Het tegendeel is waar: de lijnen zijn kort. En elke stem wordt gehoord.
Als pastoor van de parochies Alkmaar en Enkhuizen zie ik in de praktijk het steeds meer gebeuren dat mensen de kerk binnenkomen. Zo zei iemand onlangs tegen me: "Ik ben hier. Want al is dit niet mijn huis, ik voel me er thuis." In Enkhuizen is een verviervoudiging opgetreden van het kerkbezoek. De toestroom van mensen die daar heeft plaatsgevonden in 1998 had niet alleen te maken met de problemen die zij elders hadden ondervonden. Het heeft ook te maken met de positieve keuze voor een kerk waar de leiding haar wil niet van bovenaf oplegt aan de gelovigen. Waar niet de gehoorzaamheid aan het hoogste gezag wordt geeist. Waar niet de haat en de uitsluiting, maar de vergeving en de liefde wordt gepredikt. Waar niet de kerk in zichzelf besloten is, maar voortdurend werkt aan het creƫren van de ruimte en de openheid naar buiten toe. Ook heeft meegeholpen dat de mensen wisten wie de pastoor was en waar hij woonde met zijn gezin: in het centrum, naast de kerk. Op straat, in de winkel, bij de zangvereniging, op school, bij zwemles, of de balletververeniging, kon je hem ontmoeten, zijn vrouw of zijn kinderen. Enkhuizen heeft als stad veel te bieden. Maar de stad is klein genoeg om elkaar regelmatig tegen te komen.
Een parochie, die dankzij weinig mensen met veel moeite in stand is gehouden, kan plotseling opbloeien, zoals in Enkhuizen. Het unieke hiervan is dat hieraan geen uitgekiend plan voor gemeenteopbouw ten grondslag heeft gelegen. De vraag is of in een andere parochie, of in een andere kerk, ook zoiets kan plaatsvinden. Ik sluit na dit voorval echt niets meer uit. Mijn idee is wel: wees niet te snel met het opheffen van plaatsen waar mensen samenkomen, hoe klein die gemeenschap ook is geworden. Vooral niet als het om een plek gaat die centraal ligt. Dit vraagt om geduld en ook om het geloof dat je niet vergeefs investeert in kleine gemeenschappen.Het kan een gunstig resultaat geven om tegen de trend in kleine gemeenschappen niet op te heffen of te laten opgaan in een fusie, maar juist om de omgekeerde weg te bewandelen door ze het beste te geven in menskracht, in tijd, in aandacht en in geld. Het vraagt wel durf, inzicht en vertrouwen in de toekomst, in God en in de mensen.
Als ik nu weer die engelse pastoor zou tegenkomen, zou ik niet meer schrikken, maar hem uitnodigen om een keer te komen kijken. Opdat hij zelf kan zien dat er kracht schuilt in zwakheid, en dat de toekomst is weggelegd voor wie daarop durft te vertrouwen. Wie weet wat hij dan zegt. Ik denk: "the old-catholics: they are not dying out!"
Henk Schoon
priester in dienst van de Oud-Katholieke Kerk van Nederland
Bron: Algemeen Doopsgezind Weekblad, oktober 2002.