De parochiekerken (1633-1908)

behorende tot de Oud-Katholieke Parochie Enkhuizen

Vanaf de reformatie (1572)

Houten toren WesterkerkTot aan de Reformatie telde Enkhuizen twee parochies, die van St. Gummarus in het voormalige Gommerkerkspel, bevolkt door landbouwers en die van St. Pancratius, waar voornamelijk de vissers woonachtig waren.

De Nederlandse Opstand tegen Spanje, begonnen in de jaren zestig van de zestiende eeuw, stond al spoedig mede in het teken van een strijd tussen protestanten en katholieken. In 1572 verklaarde Enkhuizen zich voor de (protestantse) Prins van Oranje met als gevolg dat beide parochiekerken toegewezen werden aan de aanhangers van 'de nieuwe leer'. Daarvan getuigen enkele spreuken in het Oosterportaal van de St. Gummaruskerk (nu Westerkerk). Na restauratie is deze niet meer als kerk in gebruik maar heeft in 2000 een culturele functie gekregen.

PancrastorenIn de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd de Nederduitse Gereformeerde Kerk als 'ware religie' en dus als bevoorrechte kerk behandeld, maar zij kreeg nooit de status van staatskerk. Zo ontwikkelde de Republiek zich als een multiconfessionele samenleving, waarin de katholieken zich als minderheidskerk redelijk konden handhaven, al moesten zij hoge kosten maken om ontheffingen van anti-katholieke maatregelen ('plakkaten') te krijgen.
Toch brokkelde het aantal katholieken geleidelijk af, omdat zij in de praktijk van hoge ambten waren uitgesloten, en anderzijds maar spaarzaam van de armenkassen profiteerden.

De 17de eeuw

Voor de katholieke minderheid van de Enkhuizer bevolking braken moeilijke tijden aan. In 1587 wordt weer gewag gemaakt van van pastorale verzorging. Daarvoor worden de priesters Johan Noems en na diens dood in 1598, Nicolaas Noems, genoemd die tot 1626 dit pastoraat waarnam. Vanaf 1616 werd hij geassisteerd door Augustinus de Wolf, die tot zijn dood in 1635, met grote ijver en trouw onder de katholieken zou werken.

Schuilkerk buiten de stad

Tijdens het pastoraat van de Wolf vernemen we dat er buiten de stadswallen, in de buurtschap 'het Westend', verborgen achter een tweetal woonhuizen, de schuilkerk van de H. Johannes te vinden is. Daar konden de toenmalige katholieken, weliswaar buiten de stad, weer ter kerke gaan. Vóór de Reformatie bevond zich daar een kapel die na de Hervorming bestemd werd tot school. Dat naar deze schuilkerk ter kerke gaan kon echter niet altijd ongestoord plaatsvinden, want pastoor De Wolf werd meerdere malen door het stadsbestuur gevangen gezet.

Naar top pagina

Nieuwe schuilkerk

Ondanks dat slaagde hij erin nog een schuilkerk te stichten. Daarvoor werd aan de Breedstraat een pakhuis met een tweetal woonhuizen aangekocht, op de plaats waar tot de huidige dag de Oud-Katholieken hun Godshuis hebben. Deze schuilkerk werd gewijd aan St. Gummarus.

Met deze naamgeving ziet de parochie zich duidelijk als voortzetting van de vóór-reformatorische Gummarus-parochie, waarvan het kerkgebouw, bekend als Westerkerk, in 2000 de bestemming als cultureel centrum kreeg.
De precieze datum van de wijding van deze schuilkerk aan de Breedstraat is niet bekend, maar aangezien het altaarschilderij in 1633 werd vervaardigd door Pieter de Grebber, kan dat jaar of eerder daarvoor worden aangehouden.

Zie ook:Parochienaam

Problemen met Jezuïeten

In diezelfde periode begon de uit Enkhuizen afkomstige Jezuïet Theodorus de Jonghe in de stad te werken, dit tegen de uitdrukkelijke wens van pastoor de Wolf in. Het lukte De Jonghe zich een aantal medestanders te verwerven. Door beider prediking ontstonden er twee soorten van katholieke gelovigen, een pastoors- en een paterspartij. Deze partijvorming werd uiteindelijk een van de hoofdoorzaken van het conflict met Rome waaruit de Oud-Katholieke kerk ontstond.

Het reformatorische Holland blokkeerde de invloed van de Paus op benoemingen van geestelijken, terwijl de kloosters (met hun maatschappelijke invloed) nagenoeg verdwenen waren. Op grond hiervan bestempelde Rome het reformatorische Holland tot missiegebied, waardoor de invloed van Rome voornamelijk door pater-Jezuïeten werd uitgeoefend.

Ondanks de overplaatsing van de pater en de dood van De Wolf in 1635 bleef men verdeeld en in 1640 gaf de Keulse nuntius Fabius Chisius toestemming dat een pater Jezuïet onafhankelijk van de pastoor in Enkhuizen mocht werken, waardoor de verdeeldheid in stand werd gehouden.

Jezuïeten-statie - later huidige RK-Kerk

Een en ander mondde uit in de oprichting, in 1652, van een Jezuïeten-statie, gewijd aan de H. Fransciscus Xaverius. Dezelfde patroonheilige aan wie de huidige Rooms-Katholieke Kerk aan de Westerstraat is gewijd.

Vierde schuilkerk

Rond 1640 werd nog een schuilkerkje gesticht, op de hoek Venedie-Kromme Elleboogsteeg. Hierdoor was de wonderlijke situatie ontstaan dat Enkhuizen na 1652 vier schuilkerken telde. Waarvan drie een seculier of wereldheer als parochie-pastoor bezaten en de vierde een pater Jezuïet. Voor de ongeveer 800 katholieken in die tijd toch wel een overdadig aantal parochies.

Conflict met Rome

In het begin van de 18de eeuw raakte ook Enkhuizen betrokken bij het conflict met Rome dat in de Nederlandse katholieke kerk ontstond. In 1702 zette de Paus de Aartsbisschop van Utrecht, Petrus Codde af, onder andere vanwege de beschuldiging van Jansenisme. Behalve de Jezuïet van de paterskerk besloten alle priesters in dit conflict de zijde van de zgn Oud-bisschoppelijke Clerezy (of Cleresie - de latere Oud-katholieken) te kiezen. Ook de pastoors van de nabij gelegen dorpen Hoogkarspel en Hem kozen de zijde van de cleresie in het conflict. Dit betekende dat hoewel Enkhuizen in het geheel van de cleresie geografisch geïsoleerd ligt (Utrecht lag in die tijd toch wel heel ver weg!), er in een vrij klein gebied vijf priesters elkaar tot steun konden zijn. De pausgezinden (lees Jezuïeten) wisten echter het grootste deel van de katholieken over te halen zich aan te sluiten bij hun paterskerk.

Naar top pagina

Leegloop parochies Cleresie

De leegloop uit de parochies der wereldheren ging gestaag door, in 1730 is het aantal gelovigen al zo gering dat besloten moest worden de parochie van de H. Johannes (buiten de stad) op te heffen en deze parochianen onder te brengen bij die van St. Gummarus aan de Breedstraat. Zo waren er na 1730 nog twee kerken van de cleresie in Enkhuizen, die afgezonderd van de pausgezinden hun weg gingen.

Kleine parochies resteren

Uit onderzoek is gebleken dat beide parochies tezamen uit een zestiental families bestonden, die deels onderling aan elkaar geparenteerd waren. Het waren deze families die in de loop van de tijd beide parochies in stand hielden. De vraag kan rijzen waarom zij trouw bleven aan de zaak van de cleresie. Waarschijnlijk was hun voornaamste reden dat zij de zaak konden overzien en zich niet lieten intimideren. Ze behoorden zonder uitzondering tot de bovenlaag van de bevolking. Daardoor waren ze, in tegenstelling tot de meeste anderen (die nauwelijks enige schoolopleiding genoten), in de gelegenheid geweest een schoolopleiding te volgen.

Tot de parochianen van de Oud-bisschoppelijke Cleresie, behoorden bijvoorbeeld een reder, een haringkoopman, een koopman die handel dreef in binnen- en buitenland. Een ander was na in dienst van de V.O.C. te zijn geweest, in zaken gegaan met vertegenwoordigers in Batavia en Kaap de Goede Hoop. Weer een ander was houthandelaar en eigenaar van een houtzaagmolen. Het zijn deze families geweest die de cleresie in stand hielden, en dus ook op economisch gebied een niet onbetekenende rol in Enkhuizen hebben gespeeld. In latere tijden komen we leden uit diezelfde families tegen in de gemeenteraad. Hieruit blijkt dat zij ook bestuurlijke invloed hadden in deze stad.

Verfraaiing van beide schuilkerken

Door vele schenkingen hebben zij eveneens bijgedragen aan de inwendige verfraaiing van beide schuilkerken. Na de opheffing van de H. Johannes beschikte men op de Breedstraat over een grote hoeveelheid kerkzilver. Dit bracht de toenmalige pastoor van Binkom er in 1765 toe een deel daarvan te verkopen en van de opbrengst een nieuw orgel, een fraaie mahoniehouten preekstoel en een biechtkamer te laten vervaardigen. Maar omdat hij het op eigen houtje deed kreeg hij een fikse aanvaring met de kerkvoogden.

Samenvoeging tot één parochie

In 1780 overleed pastoor Gerardus Timmer van de Breedstraat. Bisschop Adrianus Johannes Broekman schrijft op 24 oktober 1780 aan de voogden, dat hij, "overweegende de droevgige benaautheid in welke de Cleresie is gebragt", niet in staat is een nieuwe pastoor te benoemen. Een jaar later werd besloten beide parochies samen te voegen. De pastoor van St. Pancratius, Wilhelmus van Vianen, werd vervolgens pastoor van de (St. Gummarus) parochie in de Breedstraat.
Vanaf 1781 tot heden kerken de Oud-Katholieken dus uitsluitend op de Breedstraat.
Daarvoor was aanvankelijk een schuilkerk ter beschikking, die in 1870 vervangen werd door een fraaie (voor de parochie ietwat te grote) nieuwe kerk. Vanwege bouwkundige gebreken moest deze al in 1908 vervangen worden door een nieuwe (de huidige) parochiekerk.

Verkoop kerkgebouw op Venedie

In 1789 wordt het, dan al acht jaar leegstaande, kerkgebouw aan het Venedie verkocht aan de doopsgezinden voor 600 gulden, 500 voor de kerk en 100 voor de preekstoel en de banken. Niet bij de koop inbegrepen zijn "'t voorstuk Schilderij bij 't Altaar, de twee zijdbeelden verbeeldende St. Bonnovatius en St. Willebrordus en den zogenaamden Communibank". Beide beelden zijn vervolgens opgeslagen en in 1908 in het huidige kerkgebouw geplaatst.

Bron: "Sint Gommer en Sint Pancras" W.H. de Boer - Ver. Oud Enkhuizen

 

Artikel moet nog worden gecorrigeerd.

 

Oud-Katholieke Parochiekerk
van de H.H. Gummarus en Pancratiue
Enkhuizen

 

Naar top pagina

 

OKK-Enkhuizen