Inhoudsoverzicht
Site OKK-Nederland

De apostel Paulus schrijft: "Ik moge ervoor bewaard blijven in iets anders te roemen dan in het kruis van onze Heer Jezus Christus" (Galaten 6:14). Voor Paulus is het kruis één van de twee kernbegrippen van het geloof; het andere is de verrijzenis. Voor de christenen is het kruis een teken van triomf geworden.
Maar het kruis is nog niet het kruis-teken. Het kruis is een voorwerp, het kruisteken is een merkteken dat men aanbrengt. Uit oud-kerkelijke geschriften blijkt dat het al vroeg een algemeen gebruik is onder alle christenen. Tertullianus schrijft rond het jaar 200 dat de christenen het kruisteken maken bij uitgaan en thuiskomst, aan tafel, bij het slapen gaan, kortom: "bij welke dagelijkse bezigheid ook" .
Er is nooit door een Concilie, een paus of een kerkvader een bevel uitgevaardigd tot het maken van kruistekenen, en toch kent het al vroeg algemene verspreiding. Dat kan maar één ding betekenen: het kruisteken is nooit als extra ingevoerd, maar moet zijn oorsprong hebben in de allervroegste kerk.
Een korte voorgeschiedenis zal dat duidelijk maken. Ons woord 'kruis' komt van het Latijnse 'crux'dat 'schandhout' betekent. Zowel in de Romeinse als in de Joodse wet betekende het hangen aan dat hout de schandelijkste dood. Het kruis als teken doet christenen dus in de eerste plaats denken aan de kruisdood van Jezus.
Het symbool van het kruis heeft meer betekenissen. Het praktische gebruik van het teken is voorbereid door het algemene gebruik dingen te merken. Door het aanbrengen van zo'n waarmerk verbindt men bijvoorbeeld een persoon aan een zaak; vergelijk dit bijvoorbeeld met het zetten van een handtekening onder een overeenkomst. In het oude Israël werd hiervoor de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet gebruikt, de letter thau. De vorm van deze letter was eenvoudig: een kruisje. De veelvoudigheid van het gebruik ervan als merkteken verklaart ook het feit dat in het Hebreeuws de naam van de letter tevens het zelfstandig naamwoord is voor het begrip 'teken' of 'zegel' . De eerste christenen begonnen dit teken over zichzelf te maken als een acte van toewijding aan het teken van Christus bij uitstek: het kruis .
Het kruisje onder de acte staat immers garant voor de naam van iemand, voor de naam van iemand, voor de verbondspartner zelf. De macht van de naam is zeer duidelijk in de bijbel. In de naam van de Heer spreken de profeten; in de naam van Christus genezen de apostelen zieken; in de naam van de drievuldige God worden de mensen gedoopt; "alles moeten we doen in die naam" , zegt Paulus. En hij zegt ook: "God gaf aan Christus die naam, omdat Hij zich vernederde, gehoorzamend tot de dood aan het kruis" (Filippenzen 2:10 en 2:8 )
De tekening met het kruis is als een zichtbare belijdenis van de naam. Als christenen hun gebed beginnen met het maken van een kruisteken, bidden zij 'in de naam van de Vader, en de Zoon, en de Heilige Geest' .
Kruis, teken en naam horen dus zeer nauw bijeen. Het Latijnse 'signare' : 'tekenen' heeft zich bovendien ontwikkeld tot het Nederlandse 'zegenen' . Voor mensen die leven uit het nieuwe testament is het maken van een kruisteken een zichtbaar persoonlijk 'Amen!' op de zegen die Christus hen geeft.
Het kruisteken is ook een zichtbare toewijding van het lichaam aan de liefde voor God 'met heel het verstand, met heel het hart, en met alle kracht' (vgl. Markus 12:30) (men raakt immers hoofd, hart en schouders aan). Ook stelt dit gebaar het lichaam in het teken van de Heer, terwijl het iedere andere kracht of macht afweert en ontkent. Zo wordt het kruisteken ook gemaakt over mensen of voorwerpen wanneer zij in dienst van God worden gesteld.
Ook vandaag maken de meeste christenen het kruisteken bij hun privé-gebeden en in de liturgie. In de kerk van het Westen (Rooms-Katholiek, Oud-Katholiek, Anglicaans) wordt het gewoonlijk met de rechterhand gemaakt, en wel als volgt:
In één vloeiende beweging uitgevoerd brengt men zo het kruisteken op zichzelf aan.
Het kruisteken kan op elk moment gemaakt worden. Het is gebruikelijk om het te maken op bepaalde momenten in het gebed, en als antwoord op een zegening van een priester.
Natuurlijk is iedere gelovige ook in de kerkdienst vrij om het kruisteken te gebruiken op ogenblikken die men zelf daarvoor geschikt acht. In de liturgie van de eucharistie zijn echter een paar momenten aan te wijzen waarop het vanouds gebruikelijk is geweest. Met behulp van bovenstaande uiteenzetting is het niet moeilijk te achterhalen waarom het juist op die momenten geschiedde. In de Oud-katholieke Kerk geschiedt dit doorgaans op de volgende (zeven) momenten:
Varianten van de nummers 1 , 2 en 7 kunnen ook voorkomen tijdens getijdediensten en bij het persoonlijk gebed. In de gebedsdiensten wordt het kruisteken bovendien gemaakt bij het begin van de drie dagelijkse lofzangen uit het evangelie, die van Zacharias, Maria en Simeon.
Bij de bediening van de andere sacramenten wordt ook vaak het teken van het kruis gemaakt. Wat de doopritus betreft, gaat het hier om een praktijk die in de beschrijvingen van oude doopbedieningen al voorkomt. De gezaghebbende kerkvader Augustinus noemt het zelfs een noodzakelijk element van de ritus.
Behalve binnen het gereformeerd protestantisme is het heden dan ook overal de gewoonte.