Naar startpagina
website landelijke kerk Klik voor
landelijke site
Logo
 

Index

 

Over de Vrouw en het Ambt

Zie ook: Ambt ten dienste van eucharistie en gemeenschap (n.a.v. brochure Dominicanen)

Nog net in de twintigste eeuw droeg voor het eerst een vrouwelijke priester de mis op in de Oud-Katholieke Kerk in Nederland. Er zijn kerken waar al jaren eerder vrouwen op zondag voorgingen en er zijn kerken waar naar verwachting voorlopig alleen mannen brood en wijn delen.
Wie een oud-katholieke viering meemaakt, kan dus een vrouwelijke priester voor of achter het altaar aantreff en. Een aangename verrassing, zoals het elders in een artikel genoemd wordt, of worden de wenkbrauwen gefronst?
Woorden van Paulus schieten te binnen: 'Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen - u bent allen één in Christus Jezus.' Maar Titus heeft het toch echt alleen over mannen als hij in zijn brief richtlijnen geeft
voor de leider van de gemeente: 'Het moeten mannen zijn van één vrouw'. En waarom had Jezus geen vrouwen onder zijn discipelen? Of ... ?


Vrouw en Ambt
(Herderlijke Brief de openstelling van het ambt voor vrouwen)

Ten geleide

De dienst aan God en mensen in kerkelijke ambten en bedieningen is in de brede oecumene al jaren onderwerp van gesprek. Kerken denken na over de betekenis en de inhoud van de ambten en zoeken naar een vorm die past in onze tijd en tegelijkertijd beantwoordt aan de bedoeling, zoals die haar neerslag gekregen heeft in de geschriften van het Nieuwe Testament en de kerk van de eerste eeuwen. In oecumenische verbondenheid proberen kerken tot een betere samenwerking te komen, om het christelijke getuigenis en de dienstbaarheid van mensen aan God en aan elkaar meer tot hun recht te laten komen. Tegelijkertijd streven zij ernaar de zichtbare eenheid waar te maken. Een wezenlijke voorwaarde hierbij is dat de kerken het eens worden over doop, eucharistie en ambt. Deze sacramenten hebben jarenlang het centrale thema gevormd in de vergaderingen van de Commissie voor Geloof en Kerkorde van de Wereldraad van Kerken. Dit overleg heeft geleid tot het Lima-rapport, waarin ingegaan wordt op de inhoud en de betekenis van doop, eucharistie en ambt. Hoewel er verschillende visies in deze tekst worden samengebracht en er een basis wordt gelegd voor wederzijdse dooperkenning en verdere groei naar eenheid, worden niet alle verschilpunten opgelost, vooral niet die van dogmatische aard. Noot-1


Ook binnen de Oud-Katholieke Kerk van Nederland hebben zich in de afgelopen decennia veranderingen voltrokken, in het bijzonder met betrekking tot de ambten en bedieningen. Bezinning en overleg hebben geleid tot het facultatief stellen van de kleine wijdingen en het subdiaconaat en het ingrijpend wijzigen van de teksten voor de wijdingsliturgieën. De priesterwijding is niet meer beperkt gebleven tot hen, die in een parochie als pastoor worden aangesteld, maar is uitgebreid tot degenen, die in buitengewone dienst werkzaam worden. De leken zijn meer betrokken bij de liturgie, in het bijzonder door de ontwikkeling van het lectoraat. Door deze veranderingen werden "Woord en Sacrament" meer in het midden van de gemeente geplaatst.

De laatste jaren hebben twee onderwerpen de agenda van de Oud-Katholieke Kerk bepaald. De ambten en bedieningen en het functioneren ervan zijn uitvoerig aan de orde gekomen op vergaderingen van de geestelijken. Noot-2

Verder werd de vraag naar de mogelijkheid om kerkelijke ambten open te stellen voor vrouwen uitvoerig besproken op studiedagen, regionale samenkomsten van leden van de kerk en op synodezittingen. Over het laatste onderwerp is ook in breder verband uitvoerig overlegd, eerst en vooral met de oud-katholieke zusterkerken uit de Unie van Utrecht, maar ook met andere kerken. Noot-3


Dit proces is nu afgerond. In een bijzondere zitting op 31 oktober 1998 sprak de Synode van de Oud-Katholieke Kerk van Nederland zich met een meerderheid van 106 tegen 5 stemmen uit voor het openstellen van het drievoudig ambt van diaken, priester en bisschop voor vrouwen. Het Collegiaal Bestuur en de bisschoppen besloten daarop conform dit advies en deelden dit schriftelijk mee aan de synode op haar zitting van 24 november 1998. Noot-4


Deze herderlijke brief is bedoeld als een verantwoording van dit besluit, zowel aan de Oud-Katholieke Kerk van Nederland als aan de andere oud-katholieke kerken van de Unie van Utrecht en de kerken uit de oecumene waarmee wij ons verbonden weten.


Als leidraad voor deze brief dient de oecumenische verklaring van Lima (1982) over doop, eucharistie en ambt. In brede oecumenische kring is wederzijdse dooperkenning tot stand gekomen. Het gesprek over eucharistische gastvrijheid (Noot-5) en erkenning van elkaars avondmaal en eucharistie gaat door. In de Oud-Katholieke Kerk van Nederland heeft dit geleid tot een ruimere eucharistische gastvrijheid.

De ambtsvraag, zoals neergelegd in de Lima-teksten, is eveneens nog aan de orde in de verschillende kerken. Het is duidelijk geworden dat het gesprek hierover alleen vruchtbaar gevoerd kan worden in het kader van een bezinning op het kerk-zijn. Wij hebben ons dat bij het schrijven van deze brief gerealiseerd en daaraan allereerst aandacht geschonken.

Onze dank gaat uit naar allen die bijgedragen hebben aan de totstandkoming van deze brief en aan allen die biddend en werkend bij het proces van besluitvorming betrokken zijn geweest.

= top =

1. God roept mensen tot zijn volk

Ieder voor wie de Schriften worden opengelegd en opengaan hoort van God, die met mensen begaan is. Mensen danken hun bestaan aan Gods scheppende liefde en God blijft hun in trouwe toewijding nabij. De Almachtige en Barmhartige laat niet af mensen te roepen tot gemeenschap met Hem en met elkaar. De Heer wil alle mensen samenbrengen tot zijn volk. Hij sluit een verbond met zijn volk Israël, dat als eerste deel gaat uitmaken van deze nieuwe mensheid. Bevrijd van kwaad mogen zij leven in gerechtigheid en liefde vanuit zijn kracht. In het verbond bevestigt de Heer zijn trouw aan de mensen en tegelijk confronteert Hij hen uitdrukkelijk met de keuze tussen "leven en dood, zegen en vloek" (Deut. 30:19). Hij roept hen op elkaar in liefde nabij te zijn. Zo is Hij hun God en zijn zij zijn volk (Lev. 26:12). Dit volk gaat een uitzonderlijke weg van onderdrukking en bevrijding, van ballingschap en terugkeer. Maar steeds blijft het besef levend en wordt het geloof gewekt dat God door alle wederwaardigheden heen trouw blijft. Met deze geschiedenis en met dit geloof neemt Israël voor altijd een aparte plaats in temidden van het volk van God en in de heilsgeschiedenis. Aan Israël danken we het geloof dat God diegene is op wie mensen mogen rekenen als zij in Zijn Naam de weg gaan (Exod. 3).

In de verschijning van Jezus en zijn verkondiging van het Rijk Gods in woord en daad spreekt Gods toewending naar mens en wereld op een definitieve wijze. Hij geeft alle mensen deel aan het heil waartoe ze geroepen worden. Jezus' solidariteit met mensen, tot de dood aan het kruis (Fil. 2:8), opent een nieuwe toekomst. Zijn verrijzenis geeft de mensengeschiedenis een beslissende wending. De dwaasheid van God is wijzer dan de mensen en de zwakheid van God is sterker dan de mensen (1 Kor. 1:25).

Door de Geest geraakt leggen de volgelingen van Jezus getuigenis af van zijn leven, sterven en verrijzen. Zij verkondigen de Heer en het aangebroken Rijk van God. Steunend op de hoop en de verwachting van Israël, waarin ook Jezus deelde, weten ze zich geroepen om Hem na te volgen en Hem te verkondigen: in Hem woont immers de volheid van God (Kol. 1:19). In deze groepen van "Jezus-leerlingen" vindt de kerk haar oorsprong. Jezus' dienstbare leven, zijn prediking, dood en opstanding vormen het fundament waarop de nieuwe gemeenschap wordt gebouwd door het goede nieuws van het evangelie en de gaven van de sacramenten. Noot-6


De Heilige Geest schenkt deze gemeenschap haar levenskracht. Door Christus worden mensen in staat gesteld om zich lofprijzend tot God te keren en hun naasten te dienen en in hem vinden zij de bron van een nieuw leven in vrijheid, wederzijdse vergeving en liefde. Noot-7

De kerk heeft het voorrecht zich ervan bewust te zijn dat ze nu reeds deelt in het goddelijke leven. Delen in Gods leven betekent leven vanuit zijn liefde. Het bestaan is daarom slechts authentiek voor zover het vervuld is van Gods liefde. In het geheim van de Drie-eenheid bestaat die liefde in de gave van zichzelf. De kerk is geroepen om beeld te zijn van de Drie-eenheid en zij is de ruimte waarbinnen men in die liefde groeien kan. In Gods liefde delen houdt naast geborgenheid ook dienstbaarheid in.


Gods liefde is creatief. Ze ontvouwt zich in veelvuldigheid, maar brengt de verscheidenheid tot eenheid. Ook in de kerk kunnen verscheidenheid en eenheid samengaan, omdat de afzonderlijke leden in een liefdevol omzien naar elkaar niet alleen elkaar ontmoeten maar evenzeer de bron van hun verscheidenheid: God zelf.

De kerk is een gemeenschap en haar leden vormen samen het lichaam van Christus. Opgenomen als ze zijn in de gemeenschap die in God zelf is, vormen ze het kloppende hart van Gods meeleven met alle mensen in hun vreugde en verdriet en met de gehele schepping. De kerk dankt haar bestaan aan de bevrijdende en vernieuwende kracht van de Heilige Geest. Gods Geest rust de kerk en haar leden toe voor hun roeping, die erin bestaat het Rijk van God te verkondigen en er zelf de voorafbeelding van te zijn. Noot-8

Zoals Jezus zelf zal de kerk - in de kracht van de Geest - uitgaan naar de mensen om het genadejaar van de Heer af te kondigen (Lukas 4:18-19), dat in de eigen kring een aanvang heeft genomen. Kenmerkend voor de gemeente is dat zij volhardt in de leer der apostelen, in het gemeenschappelijk leven, in het breken van het brood en in de gebeden (Hand. 2:42-47). Zij delen hun bezit met elkaar en zien om naar hen die behoeftig zijn (Hand. 4:32-35).

= top =


De kerk koestert in Gods naam de droom van heelheid en eenheid voor heel de mensheid: het koninkrijk van God. Zij mag hiervan het instrument zijn. Zij is het koninkrijk niet, maar staat ten dienste van de verkondiging ervan. Omdat het maar gedeeltelijk verwezenlijkt wordt, bevindt de kerk zich voortdurend in een grote spanning. Zij is zowel geroepen om enthousiast te getuigen van wat reeds aan gerechtigheid en liefde onder mensen mogelijk is, als om in een profetische betrokkenheid het kwaad aan te wijzen en te bestrijden. De kerk bevindt zich op kritische afstand zowel van zichzelf als van de samenleving waarvan ze deel uitmaakt. Die spanning houdt haar wakker en doet haar bewust uitzien naar telkens nieuwe mogelijkheden tot het realiseren van Gods rijk.

2. Het ambt: in dienst van de Heer en zijn volk

Getroffen door Gods Woord, dat in Jezus Christus zijn woning vindt, gaan de volgelingen hem achterna en worden zij de wereld ingezonden naar plaatsen waar Hij zelf zou komen (Luk.10:1-12). De leerlingen worden tot een woning Gods onder de mensen opgebouwd, maar ook als getuigen en vredesboden erop uitgezonden. Ze zijn de beweging ten dienste van het Koninkrijk van God. Van oudsher ontstaat binnen de christelijke gemeenschappen die zich gevormd hebben een waaier van diensten en opdrachten, van bedieningen en ambten. Gods gemeente wordt gedragen en bewaard door zijn liefde, die in al haar creativiteit aan de oorsprong ligt van die verscheidenheid in genadegaven (charismata). Aan de Efeziërs is geschreven dat Hij het is, die sommigen tot apostelen gemaakt heeft, anderen tot profeten, anderen tot evangelisten, weer anderen tot herders en leraars, om de heiligen toe te rusten voor het werk van de bediening, tot opbouw van het lichaam van Christus (Ef. 4:11-12). Die verscheidenheid draagt bij tot de dynamiek waarmee de gemeente zich toelegt op de realisatie van haar zending, maar brengt eveneens spanningen met zich mee, die problemen kunnen opleveren.


De eerste leerlingen en apostelen nemen een bijzondere plaats in. Hun ontmoeting met de verrezen Heer bepaalt fundamenteel hun opdracht binnen de gemeente zelf, maar ook naar buiten toe.


God, die onze Vader is
heeft ons allen tot zijn dienst geroepen.
Moge hij met zijn kracht vervullen,
wat wij in onze zwakheid beginnen.

(Presentatie bij de diakenwijding, Oud-Katholiek Kerkboek)


Het werk van uw apostelen
werd door mannen en vrouwen ondersteund,
aan wie Gij de veelvoudige gaven
van uw heilige Geest hebt geschonken.

In het gezelschap van de apostelen
gingen vrouwen mee met uw Zoon en bedienden hem
toen hij op aarde zijn werk verrichtte
en als eersten getuigden zij van hem
toen hij verrezen was.

(Wijdingsgebed bij de diakenwijding, Oud-Katholiek Kerkboek)


Als medewerker van de bisschop
krijgt gij taken in de kerk toebedeeld.
In het bijzonder krijgt gij de opdracht
om de gemeente waarin gij wordt geroepen
het evangelie te verkondigen
en haar voor te gaan in de viering van de eucharistie.
Gij gaat de verantwoordelijkheid
voor de gemeente mee dragen.

Als dienaar van Christus
en als uitdeler van diens geheimenissen
zult gij de doop gaan bedienen
en hen die gedoopt zijn in het geloof verder leiden.
In het sacrament van de verzoening
zult gij het teken stellen
van Gods barmhartigheid.
De zieken zult gij sterken
met de genademiddelen der kerk,
de stervenden begeleiden
en de doden begraven.
Het verbond van de huwenden zult gij zegenen.
In liefde en waakzaamheid
zult gij voor de gemeente zorgdragen.

Armen en behoeftigen
zullen door u de liefde van Christus gewaarworden;
wie twijfelen zult gij versterken
en gij zult wie dwalen de rechte wegen wijzen.

Doe dit alles in overeenstemming met de bisschop,
bewaar de eenheid,
volhard in de hoop.
Op de Heer moogt gij vertrouwen
die u heeft geroepen
en die u de kracht geeft
uw dienst getrouw te volbrengen.
Hij noemt u dan ook geen knecht;
hij wil u noemen: zijn vriend,
geheiligd in de waarheid,
geleid door de heilige Geest.

Volhard daarom in de leer van de apostelen
en in de trouw aan de kerk,
het uitverkoren geslacht,
het koninklijke priesterschap,
het volk van God,
wiens eigendom ook gij zijt door de doop.
In de Naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.

Amen.

(Opdracht bij de priesterwijding, Oud-Katholiek Kerkboek)

= top =

 


De Heer zelf zendt hen tot de mensen om zijn werk voort te zetten (Joh. 20:21-22). Daarom zijn de apostelen, door zijn Geest bezield, de eerste en onmiddellijke getuigen van de verrezen Heer.

Gemeenten worden gesticht door de apostelen en eerste zendelingen. Zij verkondigen het evangelie, stellen tekenen van geestkracht en geven leiding aan de prille gemeentes. Op hun getuigenis zijn de gemeenten gegrondvest, als een nieuwe schepping (2 Kor. 5:17). Aan hun geloof ontlenen de eerste christenen de moed en het vertrouwen om zich door dezelfde Heer te laten grijpen en vanuit zijn liefde te gaan leven. Een moed die zo ver strekt, dat velen de martelaarsdood sterven.


Gemeente en apostel kunnen niet zonder elkaar

Als "Lichaam van Christus" zijn de gelovigen op elkaar aangewezen en met elkaar zijn zij op de Heer betrokken. De apostel en de gemeente zijn in zekere zin elkaars 'tegenover' en daardoor is deze relatie bron van opbouwende en elkaar versterkende gemeenschap en van wederzijdse bemoediging. Beiden zijn dragers van de Geest des Heren. Het respect waarmee de apostel de gemeente benadert, vormt mede de basis voor de goede geest van de leden in de gemeente met elkaar. De openheid waarmee de gemeente de apostel verwelkomt, schenkt hem de mogelijkheid met de gemeente vol zorg en liefde om te gaan, alsof het om zijn eigen kinderen gaat (1 Joh. 2:12-13). Het ambt is dan ook niet van de gemeenschap te scheiden en ambtsdragers kunnen niet zonder de erkenning, de steun, de kritische vragen en de bemoediging van de gemeenteleden. De gemeente kan niet zonder de herderlijke zorg en het profetisch vermaan van het ambt, want dan mist ze een noodzakelijke hefboom voor het vervullen van haar opdracht.

Uiteraard ontstaat er ook behoefte aan plaatselijke ambtsdragers en structuur in de leiding van de gemeente. Een apostolische bediening op afstand leidt er immers al snel toe dat gedrevenen zich zelf opwerpen als leiders der gemeenten, om wie zich groepjes vormen en scheuringen dreigen (1 Kor. 1).


De eerste christengemeenten spelen in op de eigen situaties en noden en gaan creatief om met bedieningen en ambten. De apostelen zoeken medewerkers, ook onder de niet-Joden, om hen bij te staan. Het zijn, zoals Paulus aangeeft, de arbeiders in de gemeente en de leidslieden, die een bijzondere zorg voor de gemeente dragen (1 Tess. 5:12). Hun voornaamste opdracht is in de gemeente te profeteren en die te onderrichten (1 Kor. 12:28; 14:6 en Rom. 12:6-8). Naast de leiders van de gemeenten nemen de diakenen een specifieke opdracht op zich. De aanwezigheid van hen die in deze apostolische dienst staan, herinnert de gemeente aan het initiatief van God en aan haar afhankelijkheid van Jezus Christus, die de bron is van haar zending en de grondslag van haar eenheid. Noot-9


De Heer laat zijn gemeenten niet verweesd achter. Daarom roept Hij ambtsdragers, die de gemeenten van dienst zijn met de verkondiging en de uitdeling van de genadegaven.

Het ambt is, samen met andere charismata, als de gewrichten, die het hele lichaam, waarvan Christus het hoofd is, bijeen houden (Ef. 4:16). Binnen het geheel van de gemeente hebben ambtsdragers hun eigen opdrachten en taken. Daarmee delen ze, als christenen, in de algemene opdracht van de gemeente.

Aan de basis van elk kerkelijk ambt ligt, ingebed in de roeping van de kerk als geheel, de roeping van elke christen. Eenieder die gedoopt wordt en de naam van Jezus belijdt, is geroepen tot een leven van getuigenis, van geloof, hoop en liefde. Met deze roeping heiligt het volk van God zich als geheel (Lev. 19) tot een koninklijk priesterdom, om de grootheid van God te verkondigen (1 Petr. 2:9).


Degenen die voorgaan in de ambtsdienst aan de gemeente, zijn op een bijzondere wijze door de Heer zelf geraakt en geroepen tot getuige en dienst in zijn naam. De erkenning van die roeping door de kerk verleent hen de opdracht om in de gemeenten voor te gaan. Dit tweevoudige aspect van de roeping door de Heer en het gegeven vertrouwen van de kerk en de gemeente, krijgt zijn uitdrukking in het sacrament van de ambtswijdingen. Onder aanroeping van Gods heilige Geest en door het gebed van de gehele kerk worden mensen uitgekozen en krijgen ze de handen opgelegd om hen toe te wijden tot deze bijzondere dienst, die de gemeente opbouwt door de bediening van "Woord en Sacrament". Zo functioneert het bijzondere kerkelijke ambt als één van de vele genadegaven van de Geest.

= top =


Drie aspecten (Lima rapport)

Het Lima-rapport onderscheidt voor de uitoefening van het bijzondere ambt in de kerk drie aspecten, die bepalend zijn voor het ambt, zoals het concreet door mensen in het midden van de gemeente gestalte wordt gegeven: het communale, het collegiale en het persoonlijke aspect. Noot-10


De gemeenschap dient samen met de ambtsdragers te ontdekken wat God van haar wil en welke richting de leiding van de Heilige Geest uitgaat: zij delen immers samen in de zending van de Heer. Dat is het "communale aspect" van de ambtsuitoefening. In onze kerk krijgt dit gestalte in het episcopaal-synodaal model van kerk-zijn.


De ambtsdrager maakt verder deel uit van een college, waarin ambtsdragers met elkaar de belangen van de gemeenschap behartigen. Met raad en daad staan zij elkaar bij. Samen bidden zij voor de gemeenschap die aan hen is toevertrouwd en denken ze na over de pastorale begeleiding die deze nodig heeft. De ambtsuitoefening is dus een collegiale verantwoordelijkheid. Dit wordt in onze traditie zichtbaar in het presbyterium, dat deze verantwoordelijkheid deelt met de bisschop, in de provinciale synode van de geestelijken en in ander diocesaan en regionaal overleg.


Tenslotte veronderstelt de ambtsuitoefening bij de ambtsdrager op het persoonlijke vlak enerzijds een diep besef dat hij/zij zelf op de eerste plaats "leerling" van de Heer is en in zijn spoor zoekt naar de authentieke betekenis van het leven, en anderzijds het verlangen de gemeente ook met deze persoonlijke beleving van dienst te zijn. Door deze dubbele openheid wordt het mogelijk de aanwezigheid van de Heer in de gemeente te bedienen en als gewijd ambtsdrager verwijsteken te zijn van en naar Jezus Christus, de getrouwe Getuige (Op. 1:5).


Johannes aan de zeven gemeenten in Asia:
genade zij u en vrede van Hem, die is en die was
en die komt, en van de zeven geesten, die voor zijn
troon zijn, en van Jezus Christus, den getrouwen
getuige, den eerstgeborene der doden en den
overste van de koningen der aarde.

Hem, die ons liefheeft en ons uit onze zonden
verlost heeft door zijn bloed - en Hij heeft
ons tot een koninkrijk, tot priesters voor zijn God
en Vader gemaakt - Hem zij de heerlijkheid en de
kracht tot in alle eeuwigheden! Amen.

Zie, Hij komt met de wolken en elk oog zal
Hem zien, ook zij, die Hem hebben doorstoken; en
alle stammen der aarde zullen over Hem weeklagen.
Ja, amen.

Ik ben de alpha en de omega, zegt de Here
God, die is en die was en die komt, de Almachtige.

(Openbaring van Johannes 1:4-8)

3. Tijdgebonden vormgeving van het ambt

De oorsprong van de kerk ligt in de getuigenis van de apostelen van de verrezen Heer. De gestalte van de kerk draagt door de tijden heen de trekken van de maatschappelijke en sociale verhoudingen waarbinnen ze zich beweegt. Ook de wijze waarop in de kerk leiding wordt gegeven, de uitoefening van het bijzondere ambt, wordt daardoor beïnvloed.

Steeds staat de gemeenschap van gelovigen voor de vraag hoe zij de boodschap van Jezus zo kan brengen, dat het pinksterwonder zich herhaalt en iedereen kan verstaan waar het in het Evangelie om gaat. Daarbij dient zij in te gaan op de levensvragen die bij verschillende mensen in verschillende situaties leven. Al in de geschriften van het Nieuwe Testament spelen deze vragen, bijvoorbeeld in de situaties waarin Paulus zijn missiewerk verricht. Om te laten zien dat het heil in Christus voor allen geldt, waagt hij het oude godsdienstige patroon te overstijgen. Hij wordt, zoals hij zelf getuigt, de Joden een Jood en de Grieken een Griek. Zo kan de kerk, wil ze haar wereldwijde zending in tijd en ruimte waarmaken, niet voorbij gaan aan de vragen die haar door haar omgeving worden gesteld. Het is haar opgave daarop in te gaan, zodat ze meer en meer leert verstaan en verstaanbaar maken hoe omvattend de rijkdom is van wat Jezus haar naliet. Ze weet zich daarin gesterkt door de Geest der waarheid, die in de volle waarheid zal inleiden en die de toekomende dingen verkondigt (Joh. 16:13).


Dat steeds nieuw verstaan trekt een spoor door de geschiedenis van de kerk. De vroege kerk in de Grieks-Romeinse cultuur stond voor andere vragen dan de kerk die ontstaan is door de zending in onze eigen West-Europese, Gallisch-Germaanse cultuur. Zo staat de kerk altijd weer voor de opgave antwoord te geven op specifieke vragen en uitdagingen. Als zij haar opdracht wil uitvoeren, dient zij open te staan voor die vragen en in te gaan op die uitdagingen. Ter wille van de universaliteit van haar boodschap dient zij af te stemmen op de vormen, gewoontes en opvattingen, die kenmerkend zijn voor een bepaalde samenleving. Dat geldt ook voor de wijze waarop het ambt zich ontwikkelt.


Sporen van dit alles vinden we terug in het Nieuwe Testament, waarin nog sprake is van rondtrekkende apostelen profeten en leraren, maar ook al van leidinggevende oudsten (presbyters) en opzieners (episkopen). Hoe hun onderlinge verhouding is geregeld, laat zich nauwelijks uit de nieuwtestamentische geschriften afleiden. De na-apostolische geschriften laten zien dat allengs de rondtrekkende charismatische leiders op de achtergrond raken. Het bestuurscollege van oudsten en toezieners gaat een steeds belangrijker plaats innemen in de gemeenten. Hun invloed neemt toe ten koste van die van de leraren en profeten. De gemeenschap ontwikkelt een - bijna controlerende - ordening voor de charismas en ook een sterkere structuur en organisatie. Deze organisatie wordt soms even onmisbaar voor de kerk gevonden als haar unieke boodschap. Onder de eerste generaties christenen is er nog geen algemeen duidelijke afbakening tussen de ambten van bisschop, priester en diaken, terwijl er, zoals gezegd, in verschillende gemeentes ook nog andere ambten bestaan of het genoemde drietal gecombineerd of onvolledig aanwezig is.

= top =


Van kinderen Gods naar rangen en standen

Langzamerhand kristalliseren zich de taken van opziener (episkoop, bisschop), oudste (presbyter, priester) en diaken uit. De een gaat de gemeenschap voor in de trouw, de overlevering en het bewaren van de onderlinge eenheid, de ander in de verkondiging en het onderricht, de derde in de zorg voor de armen en het onderhouden van de band met de samenleving. Allen hebben een eigen plaats in de eredienst en in de viering van de eucharistie


We moeten vaststellen dat naarmate de ambten, taken en bevoegdheden meer vastgelegd worden, de oorspronkelijke, spontane vormen van leiding geven en dienstbetoon op de achtergrond raken. Aanvankelijk konden vrouwen nog een belangrijke rol in de gemeente spelen, maar langzamerhand krijgen zij, naar het patroon van de toenmalige samenleving, een ondergeschikte rol. Zij worden uit de ambten geweerd. We kunnen stellen dat het maatschappelijk succes van de kerk met zich meebrengt dat vrouwen binnen de institutionele kerkgemeenschap op de tweede plaats komen.

Het is duidelijk dat, naarmate de kerk meer maatschappelijk erkenning vindt, met name in de latere, westerse kerk, de tendens opkomt de ambtsdragers en met name de bisschop te zien als sacrale bedienaars van de geloofsgeheimen en aan het ambt meer en meer cultische trekken toe te kennen. Dit leidt ertoe dat de ambtsdragers niet meer als binnen, maar meer als boven de gemeenschap staande gezien worden. En wanneer de kerk door de staat erkend wordt, neigt ze ertoe de bestuursstructuur van de staat over te nemen. Daardoor neemt het verschil in rang en stand toe en ontstaat er steeds meer een indeling in ondergeschikte geleiden en bovengeschikte leidinggevenden. Ook de afstand tussen man en vrouw wordt groter en deze wordt filosofisch onderbouwd, zoals te zien is aan de argumentatie die middeleeuwse theologen hanteren om te legitimeren dat uitsluitend mannen tot de ambten zijn toegelaten. Dat heeft niet zoveel te maken met het man-zijn als zodanig, maar meer met de maatschappelijke rol, die men aan de man en de vrouw toekent. Alleen een man kon in persona Christi handelen.


De zogenaamde sacralisering van het ambt en de politisering van de positie van de bisschop leidt aan het einde van de Middeleeuwen tot misstanden, waarop hervormingsbewegingen reageren. De reformatie beklemtoont vooral de verkondiging, het onderricht en het toezicht als de voornaamste ambtsopdrachten en geeft aan de lekengelovigen een belangrijke plaats.

Onmiskenbaar is dat er als tegenreactie van katholieke zijde ook nieuwe accenten gelegd worden. Verkondiging en onderricht blijven ook daar belangrijk, maar als eerste taak van de priesters wordt de zorg voor het zielenleven van de gelovigen gezien; verder wordt het sacrale aspect en het offerkarakter van de mis onderstreept. Vooral in de periode na de Franse revolutie worden de verschillen tussen de reformatorische en de katholieke ambtsopvatting sterk aangezet. Noot-11


De ontwikkelingen in recente tijden

In onze oud-katholieke traditie valt eveneens een eenzijdige nadruk waar te nemen op het priesterschap ten koste van het diakenambt, dat als eigen functie lange tijd verschrompeld aanwezig blijft. Eerst in onze tijd ontstaat het verlangen om het diakonaat als een wezenlijk deel van het drievoudig ambt weer een eigen plaats te geven. Noot-12

Als correctie op de eenzijdige nadruk op het sacrale van het kerkelijk ambt, zien we eveneens dat de charismatische bewegingen de gedoopten mobiliseren en bewust maken van hun eigen gaven. In dit geval kan wel worden aangesloten bij de spirituele traditie in onze kerk, waarin leken de bijbel al vroeg in handen werd gegeven en de eigen verantwoordelijkheid voor de opbouw van het geestelijk leven sterk werd benadrukt.


Met het opkomen van de oecumenische beweging zoeken de kerken meer en meer naar datgene wat ze gemeenschappelijk hebben en komt datgene wat hen van elkaar scheidt op de tweede plaats. De oud-katholieke kerken hebben geprobeerd zo hun contacten met andere kerken gestalte te geven. De besluiten van het Concilie van Utrecht van 1763 gingen erg ver in het erkennen van de voorrechten van de Heilige Stoel, met als doel het bereiken van de kerkelijke eenheid. De Bisschopsverklaring van 1889 legt de nadruk op wat de verschillende oud-katholieke kerken met elkaar verbindt en oriënteert zich daarbij op de ongedeelde kerk. Deze oriëntatie komt ook in de theologische dialoog met de orthodoxe kerken naar voren. Noot-13

In de laatste halve eeuw is dankzij het interkerkelijk gesprek het begrip voor ambtsopvattingen in andere kerken gegroeid. Deze heroriëntatie valt niet los te zien van de maatschappelijke situatie: de politieke en arbeidsverhoudingen zijn veranderd en in samenhang daarmee is er een andere visie op leiding geven en voorgaan ontstaan.

= top =

4. Vrouw en Ambt

Geen kerk ontkomt aan de vraag of het terecht is dat alleen mannen het bijzondere kerkelijke ambt kunnen bekleden en dat vrouwen daarvan worden uitgesloten. Noot-14


Nu in onze westerse samenleving het rollenpatroon voor mannen en vrouwen in vergelijking met het recente verleden gewijzigd is, is het niet meer dan vanzelfsprekend dat ook de kerken zich met vragen van gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen bezig houden.

Het is mogelijk de vraag die de samenleving aan de kerken stelt te negeren met het argument dat kerk en samenleving haaks op elkaar staan. Zo'n houding leidt tot isolement. Ook kan het probleem ontkend worden door zonder meer over te nemen wat in de samenleving gebeurt. Dat leidt tot assimilatie. En tenslotte is er de mogelijkheid serieus op de vraag in te gaan en te zoeken naar een verantwoorde vorm van aanpassing. Dat vraagt om een gefundeerde verantwoording. Zo ging de kerk vanouds om met vragen die vanuit de samenleving op haar afkwamen en ook wij staan nu voor die opdracht.


Omgaan met schrift en traditie

Wie bewust en verantwoord wil zoeken naar antwoorden en oplossingen, kan niet volstaan met verwijzingen naar het getuigenis van de evangelist dat alleen Joodse mannen door Jezus tot apostel werden aangesteld en naar uitspraken van Paulus in het Nieuwe Testament over het zwijgen van de vrouw in de gemeente en haar ondergeschiktheid. In een dergelijke benadering wordt geen rekening gehouden met de eigen vooronderstellingen van waaruit de tekst gelezen wordt noch met de historische en culturele omstandigheden, waarin de tekst is geschreven. Het is ook niet mogelijk vast te houden aan een "onveranderd" overgeleverde traditie, omdat het geloof daarin inhoudt dat men zich niet ervan bewust is dat wat overgeleverd is altijd historisch cultureel geconditioneerd is en dat het daarbij gaat om een geloofsgegeven dat samenhangt met een bepaalde situatie. Als die situatie verandert, dient de oorspronkelijke bedoeling van de geloofsuitspraak ook bijgesteld te worden.


Dat blijkt uit het denken over en het functioneren van het priesterambt in de katholieke traditie. Zoals aangetoond, is de nadruk op de priesterlijke macht brood en wijn te consacreren tot Lichaam en Bloed des Heren en het offerkarakter van de mis ontstaan als reactie op de reformatie. In 1889 brengen onze oud-katholieke vaderen in de Bisschopsverklaring een belangrijke nuancering aan met betrekking tot het offerkarakter van de eucharistie: het gaat om het present zijn van het offer van Jezus, opdat allen zich daarbij kunnen aansluiten en zo de vruchten ervan deelachtig worden. Noot-15


Allen nemen dan ook deel aan de handeling waarin de priester voorgaat. En daarmee verschuift het accent van de consecratiemacht van de priester naar het present stellen van het gebeuren van het laatste Avondmaal van de Heer onder ons, zodat allen kunnen meevieren. Hieruit mag duidelijk zijn dat een "zo is het voor altijd"-uitspraak op grond van Schrift of traditie niet mogelijk is en dat het een blijvende opgave is te ontdekken wat God in deze tijd aan ons openbaart te midden van een veelvoud aan historische getuigenissen. De kerk bezit de waarheid niet, maar zoekt haar voor iedere tijd opnieuw.

Daarom is het de opgave van de theologie de historische praktijk kritisch te toetsen aan de oorsprong en de ontwikkeling ervan met het oog op de voortzetting van de traditie, want traditie houdt niet alleen in kijken naar het verleden, maar ook kijken naar de toekomst, het "vertalen" van woorden en vormen van het evangelie voor komende generaties. Traditie betekent een terugkoppelen naar het begin met het oog op de voortgang. Dat is een complex proces van theologische studie, van onderling beraad en gesprek, van een zoektocht met elkaar om de waarheid van het evangelie voor onze situatie aan het licht te brengen. Dat moeizame proces in de kerk kan omzeild worden door aan een bepaalde instantie het hoogste beslissingsgezag toe te kennen. Dat is in de Rooms-Katholieke Kerk gebeurd. Zo heeft de paus besloten dat er over de vraag of vrouwen toegelaten kunnen worden tot de ambten niet meer gediscussieerd mag worden, omdat het antwoord op zijn gezag vaststaat. Dat is begrijpelijk en verleidelijk, omdat het conciliaire en synodale proces van overleg langdurig en moeizaam is en niet zonder conflictueuze situaties verloopt. Het brengt vaak onzekerheid met zich mee, omdat het vragen oproept bij wat voor sommigen als onomstotelijk vaststaand geldt.

Wij kiezen er niet voor beslissingen aan een bepaalde instantie over te laten; in overleg pogen we intern tot overeenstemming te komen, we gaan na op welke wijze medechristenen met vragen omgaan, wat in de huidige kerkelijke situatie alleen via consultatie en bestudering van elkaars argumenten voor en tegen kan gebeuren en in hoeverre de historisch gegroeide situatie als normatief en onveranderlijk gezien moet worden. Zo trachten wij de vraag te beantwoorden of het mogelijk is de ambtstraditie op een andere wijze voort te zetten dan die wij hebben leren kennen.

= top =


De stelregel van Vincentius

Herhaaldelijk is in het verleden de vraag gesteld of de Oud-Katholieke Kerk zich nog wel in de katholieke traditie bevindt; nog niet zo lang geleden bij het invoeren van het bestuurslichaam van het Collegiaal Bestuur, waarin de bisschoppen hun bestuurlijke bevoegdheden delen met priesters en leken, en later bij het openstellen van het diakenambt voor vrouwen. De oud-katholieke kerken van de Unie van Utrecht gaan, krachtens de bisschopsverklaring van 1889, uit van de stelregel van Vincentius van Lerinum: "Wij houden vast aan hetgeen overal, altijd, door iedereen geloofd is, want dat is echt katholiek". Hoe past deze regel in de recente ontwikkelingen in de Oud-Katholieke Kerk? Noot-16


Op het eerste gehoor zou men ervan kunnen uitgaan dat de stelregel van Vincentius inhoudt dat er in de kerk nooit iets ingevoerd mag worden, wat niet voorkwam in de ongedeelde kerk van de eerste tien eeuwen, dat er niets zou mogen veranderen en dat aan al het overgeleverde vastgehouden zou moeten worden. Afgezien van het feit dat de kerkelijke praktijk veel veranderingen laat zien, is het nodig dat we ons afvragen of deze opvatting de juiste intentie van Vincentius weergeeft.

Vincentius stelde zijn regel op als resultaat van zijn zoeken naar de manier waarop de kerk in concrete situaties conflicten over het geloof heeft opgelost. Hij stelde vast dat dit het beste kon geschieden op algemene kerkvergaderingen of oecumenische concilies, waar tot overeenstemming gekomen werd over wat men vanouds beschouwde als geloofsgegeven. Deze conclusies werden niet door een persoon of een groep, maar door de brede kerk gedragen. Uiteindelijk ging het steeds over de vraag hoe de traditie legitiem voortgezet kon worden. Het antwoord van Vincentius laat zich verstaan als een verwijzing naar conciliair beraad. Dat was ook de drijfveer van de oud-katholieke beweging van 1870, die het conciliair principe hoog wilde houden tegenover de opvatting dat aan één persoon binnen de kerk, namelijk de Paus, de bevoegdheid toekwam te oordelen over wat de juiste weg van de traditie diende te zijn. Niet door een gezagsvol woord van een ambtsdrager, maar door een breed beraad in de kerk zoekt men naar de juiste weg. In deze betekenis is katholiek wat door allen altijd en overal geloofd is en wordt geloofd.


Zo kan de stelregel van Vincentius niet toe te passen zijn door van te voren al vast te stellen wat geoorloofd en juist is, of wat ongeoorloofd en onjuist is. Zoals de oud-katholieke vaderen en theologen verstaan hebben, betekent dit dat als de kerk voor een keuze staat allen die tot de kerk behoren betrokken moeten worden bij het zoeken van de juiste weg.


Via consulatie naar conclusie

Die weg zijn wij de laatste jaren gegaan; andere kerken werden geconsulteerd om tot een beslissing te komen. De Oud-Katholieke Kerk van Nederland heeft ook haar eigen synodaal proces gehad en dit in jarenlang overleg met de oud-katholieke zusterkerken uit de Unie van Utrecht. Ook aan het oecumenisch overleg over Doop, Eucharistie en Ambt (Lima, 1982) namen wij actief deel.


Het resultaat van dat brede overleg, dat oecumenisch te noemen valt, wordt nu kort samengevat. In het nieuwtestamentische getuigenis zijn bij de huidige stand van zaken in de uitleg ervan geen doorslaggevende bijbelse of theologische gronden te vinden, die het ambt exclusief zouden beperken tot mannen. Bovendien is de vorm waarin wij het ambt nu kennen ongetwijfeld anders dan die in de jonge kerk: het ambt heeft zich in de loop van de eeuwen ontwikkeld en heeft onder sociaal-culturele invloeden - die aan de vrouw een aan de man ondergeschikte rol toekennen - de huidige gestalte aangenomen. Als we deze ontwikkeling vanuit onze situatie, waarin deze sociaal-culturele gronden niet meer gelden, toetsen aan de kern van het evangelie - waarin het gaat om totaal nieuwe verhoudingen tussen mensen, dus ook tussen mannen en vrouwen - is de vraag onontkoombaar of het legitiem is vrouwen die zich daartoe geroepen voelen niet tot het ambt toe te laten. Zou men het ambt alleen van Christus afleiden: de ambtsdrager vertegenwoordigt in zijn handelen Jezus, is met hem als het ware identiek, dan heeft men sterke redenen alleen mannen toe te laten. Ziet men het ambt als gedragen door de Geest, wat in de katholieke traditie geen vreemde opvatting is, dan geeft die visie meer ruimte voor vrouwen.

= top =


Het heil komt van Godswege tot ons in de menswording van Jezus en raakt ons primair als mens, daarna pas als man of vrouw. Daarom kan men niet volhouden dat wanneer de ambtsdrager handelt, hij dat alleen kan doen op grond van het man-zijn. De consultatie met de orthodoxe theologen, die uitvoerig de gedachten van de kerkvaders uiteen zetten, heeft ons dat overduidelijk gemaakt. Als de mens tot nieuw leven gevoerd is, kan het heil ook door mensen - mannen en vrouwen - bemiddeld worden. Waarom kan de ene gedoopte wel, de andere niet het ambt bedienen? Gaat het daarbij niet primair om (de afbeelding van) de verloste mens, en daarna pas om het onderscheid van man en vrouw?


Natuurlijk kan men niet willekeurig te werk gaan als het gaat om de actualisering van het heil. De norm voor de kerkelijke tekenen en getuigenissen blijft het getuigenis over Jezus' optreden. Dat optreden is universeel en gaat alle geslachten, alle volkeren aan. Dat brengen de tekenen van het heil, waarorder ook het ambt valt, tot uitdrukking. Ter wille van die wereldwijdheid gaat het in die tekenen niet om de letter, maar om de Geest. Dat brengt het gegeven dat een historische bepaalde gebeurtenis als heilbrengend voor alle tijden gezien wordt, met zich mee. Men moet die boodschap in woord en vorm steeds vertalen om haar verstaanbaar te maken. Daarom zullen ook de tekenen die dat heil nabij brengen door de tijden heen aan verandering en vernieuwing onderhevig zijn, juist om het heil waarom het gaat voor alle tijden te behouden en niet te verliezen. In dat licht dienen we ook onze beslissing te bezien. Men bewaart zijn identiteit niet door onveranderd te blijven, maar juist door verandering.


Het is onze overtuiging dat het besluit om vrouwen toe te laten tot het apostolisch ambt ons niet vervreemdt van de oecumenische geloofsbelijdenis en van de apostolische traditie, al beseffen wij dat andere katholieke kerken daarover ernstig met ons van mening verschillen.


Zeg niet in uw hart: Wie zal ten hemel opklimmen?
namelijk om Christus te doen afdalen; of: Wie zal in
den afgrond nederdalen? namelijk om Christus uit de
doden te doen opkomen.

Maar wat zegt zij? Nabij u is het woord, in uw mond
en in uw hart, namelijk het woord des geloofs dat wij
prediken.

Want indien gij met uw mond belijdt, dat Jezus Heer
is, en met uw hart gelooft, dat God hem uit de doden
heeft opgewekt, zult gij behouden worden; want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met den mond
belijdt men tot behoudenis. Immers het schriftwoord zegt:
AI wie op Hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen.

Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek.
Immers, een en dezelfde is Heer over allen, rijk voor allen,
die Hem aanroepen; want: al wie den naam des Heren
aanroept, zal behouden worden.

Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in wien zij niet
geloofd hebben? Hoe geloven in Hem, van wien zij niet
gehoord hebben? Hoe horen zonder prediker? En hoe
zal men prediken zonder gezonden te zijn? Gelijk
geschreven staat: Hoe liefelijk zijn de voeten van hen, die een goede boodschap brengen.

(Romeinen 10:6-15)

 

5. Het proces van besluitvorming


Andere kerken en de Unie van Utrecht

In de oecumene hebben meer en meer kerken vastgesteld dat er geen bijbelse of theologische bezwaren zijn tegen het opnemen van vrouwen in kerkelijke ambten. Andere kerken zijn weer van mening dat de lange traditie van de kerk om vrouwen niet toe te laten tot het ambt onveranderd gehandhaafd dient te blijven. Noot-17

In Nederland besloten vanaf het begin van deze eeuw de doopsgezinden en remonstranten vrouwen tot het ambt van predikant toe te laten. Dit zette zich door in andere protestantse kerken. Over de grenzen heen namen de lutherse, episcopaalse en anglicaanse kerken het besluit om het ambt open te stellen voor vrouwen. Op het besluit van de Anglicaanse Kerk, waarmee de oud-katholieke kerken van de Unie van Utrecht reeds vanaf 1931 intercommunie hebben, heeft alleen de Pools-Nationale Katholieke Kerk van Amerika en Canada besloten de sacramentele gemeenschap met deze kerk te verbreken.

= top =


Naar aanleiding van de ontwikkelingen binnen de anglicaanse kerken was onze internationale bisschoppenconferentie in 1976 bijna unaniem van mening dat het apostolisch ambt alleen door mannen bekleed kon worden en dat een andere koers niet op eigen gezag kon worden ingeslagen. Sindsdien zijn diverse oud-katholieke kerken met hun bisschop en synode tot andere inzichten gekomen en kwamen er processen op gang, die tot andere besluiten zouden voeren. Een jarenlang gezamenlijk beraad daarover en de wederzijdse verantwoording aan elkaar heeft internationaal evenwel niet tot de nagestreefde "consensus" geleid. Begrijpelijk als we beseffen dat zowel theologische als culturele ontwikkelingen zich niet overal gelijktijdig en in het zelfde tempo voltrekken. De vraag is dan of de lokale kerk in deze haar eigen verantwoordelijkheid kan en mogelijk moet nemen, als deze overeenstemming niet volledig bereikt wordt.

Omdat wij in onze traditie vast houden aan het conciliair principe bij het vinden van de weg en het zoeken naar de waarheid, kunnen wij een situatie van onzekerheid en onvermijdelijke spanningen niet vermijden.


Het ontbreken van een centraal beslissingsgezag, zoals in de kerk van Rome, betekent niet dat elke lokale kerk zijn gang kan gaan en naar eigen goeddunken besluiten kan nemen, die voor allen van wezenlijk belang zijn. Het overlaten van de uiteindelijke verantwoordelijkheid aan de lokale kerk houdt tevens voor die kerk de blijvende opgave in te zoeken naar erkenning en bevestiging door de anderen en zich te richten op behoud van de gemeenschap. Hoe ingrijpend en overtuigend ook, het blijven besluiten waarbij we ons niet kunnen opsluiten in ons eigen gelijk of afsluiten voor andere opvattingen en tradities.


Na lang intern en internationaal beraad over het openstellen van het apostolisch ambt voor vrouwen hebben de meeste kerken van de Unie zich in die zin uitgesproken, dat het gaan van eigen wegen de gemeenschap niet hoeft te verbreken, maar niet allen konden zich daarmee verenigen. Deze laatsten zijn van mening dat er van ontrouw aan een heilige traditie sprake is en dat de fundamentele verbondenheid op het spel staat, als ook vrouwen tot priester gewijd worden.

Dat herinnert ons aan 1889, toen de bisschoppen hun fundamentele verbondenheid als bisschoppen der katholieke kerk en met de katholieke traditie beleden en vorm gaven op een internationale bisschoppenconferentie.


Ondanks een gemeenschappelijke verklaring verschilden zij op vele punten van mening en hadden zij een divergerende kerkelijke praxis:

  • sommigen erkenden anglicaanse wijdingen wel en praktiseerden een vorm van intercommunie, anderen wilden daar niet van weten;
  • het bijeenroepen van synodes waarin ook leken participeren (o.a. bij de bisschopskeuze) was voor de ene kerk een hartszaak, maar werd in andere kerken vooralsnog gewantrouwd als in strijd met het katholieke kerk-zijn;
  • het verplichte priestercelibaat was in het ene land een achterhaalde zaak, elders bleef het nog een gewone praxis;
  • voor de ene kerk had Rome sinds 1870 elk gezag verloren, de andere, met name de kerk van Utrecht, wilde zich nog niet zo onafhankelijk van Rome opstellen en de verbondenheid met de bisschop van Rome niet verbreken.

Zoals toen kunnen bisschoppen ook nu trachten te bereiken dat het aan de plaatselijke kerk wordt overgelaten om in zulke kwesties voorlopig een eigen koers te volgen, zonder uit te sluiten dat men in de toekomst nader tot elkaar kan komen, wat destijds, zij het na vele tientallen jaren, ook gebeurde.

= top =


Het proces van besluitvorming in de eigen kerk.

Binnen de beide bisdommen van de Oud-Katholieke Kerk van Nederland is gedurende de afgelopen tien jaar ernaar gestreefd om het onderwerp zowel met de pastores en het Collegiaal Bestuur te bespreken als ook bespreekbaar te maken in alle parochies. Er was daarbij geen sprake van de druk van een priestertekort. Gebleken is dat er vele kerkleden en parochies zijn die deze ontwikkeling begroeten en ook willen stimuleren, maar dat er eveneens zijn die grote moeite ermee hebben, al zullen zij om die reden de kerk niet verlaten. Wij mogen dan ook niet verhelen dat het besluit om tot de priesterwijding van vrouwen over te gaan ook mensen in verlegenheid brengt en pijn zal doen, zelfs zo zeer dat in de afgelopen jaren enkelen zich genoodzaakt zagen onze kerkgemeenschap te verlaten.

Dat de bijzondere synode van oktober 1998, die over de toelating van vrouwen tot de ambtsbediening adviseerde, met een overweldigende meerderheid, maar met een oprecht besef van saamhorigheid met hen die een andere mening hebben, een positief besluit nam, is een bemoediging voor het bestuur van de kerk en voor wijdingskandidaten.

Het debat werd waardig gevoerd als vrucht van een jarenlang proces, dat door sommigen wel als een onnodig oponthoud werd ervaren, maar dat het besluit respectabel maakte.

We hopen daarom dat de openheid, die betoond is tegenover hen die in dat besluit niet kunnen meegaan, de bezwaarden ook zal uitnodigen om met openheid de vrouwen tegemoet te treden, die in de toekomst als ambtsdragers en als pioniers werkzaam zullen zijn en dat de bestuurders van kerk en parochie voor hen ruimte willen maken. Dat allen zich geroepen mogen weten tot bidden voor elkaar en tot een blijvende bezinning op het diepste wat ons als kerk beweegt.

6. Ten slotte

We zijn niet klaar met alleen theologische beschouwingen. Tekenen die het heil nabij brengen, gaan niet alleen het hoofd, het denken, maar ook het hart, het beleven aan. We dienen ons dat bewust te zijn bij "veranderingen", zeker wanneer die plaatsvinden in het godsdienstige. In ons leeft een behoefte aan houvast in de ervaring van de wisselvalligheid van het leven en de daarmee gegeven veranderingen. Als een verandering zich voordoet, wordt deze behoefte gealarmeerd. Wanneer men zijn houvast of gevoel voor continuïteit heeft verankerd in een idee van bestendigheid, gedragen door een godsdienstig opvatting van de wereld, zijn veranderingen die plaatsvinden in de religieuze structuren zeer moeilijk te hanteren. Dan komt de bron van veiligheid die een mens in staat stelt de ervaring van gefragmenteerd leven tot een coherent geheel te maken, onder vuur te liggen. De verandering van religieuze tekenen vormt een directe bedreiging van de manier waarop mensen nu juist veranderingen het hoofd bieden en zinvol invoegen in hun leven.


Zichtbare veranderingen in de eredienst, in rituelen of in het kerkelijke ambt, roepen een weerstand op, die niet komt vanuit het hoofd, het intellect, maar vanuit het hart, het emotionele middelpunt van iemands behoefte aan vastheid en overzicht. Het is goed zich dat nu bewust te zijn. Dat geldt zeker voor een zo sterk geprononceerde vorm die het ambt in de katholieke traditie heeft gekregen. Anderzijds kan het zijn dat deze weerstand wordt opgeheven wanneer men de positieve werking van een verandering ervaart. Dat bewijst de praktijk in de Anglicaanse Kerk, waar degenen die aarzelden of zelfs tegen waren dank zij positieve ervaringen hun oordeel herzagen en daarmee een nieuwe dimensie ontdekten, een nieuwe kijk kregen op de wijze waarop in onze tijd het heil van Godswege aan ons bemiddeld wordt.


Deze brief is niet alleen gericht op de eigen kerk. Het voorgaande is ook geschreven om de recente besluiten te verantwoorden tegenover andere katholieke kerken waarmee wij in dezelfde traditie staan. En niet in de laatste plaats tegenover de kerken van de Unie van Utrecht, waarmee wij in volledige kerkelijke gemeenschap verbonden zijn. Van die gemeenschap vormt het samen staan en voortgaan in het apostolisch ambt een hoeksteen en daarom raken veranderingen en vernieuwingen in de ambtsbediening een zenuw in de wederzijdse betrekkingen.

Opnieuw staan we voor de niet eenvoudige opgave een eigen weg te gaan door besluiten te nemen die de indruk kunnen wekken dat wij de band met zusterkerken gering achten en het verwijt doen klinken dat wij onze oecumenische opdracht verloochenen.

= top =


Maar we hebben ons niet slechts te verantwoorden tegenover degenen met wie wij vanuit het verleden een verbondenheid hebben, we hebben ook gewetensvol te handelen naar wat door de kerk in een synodaal beraad bepleit wordt en wat ons in het tijdsgewricht waarin we ons nu bevinden, met het oog op morgen te doen staat, en dat geldt voor veel meer dan voor de gestalte van het ambt alleen.

Onze beslissing betekent niet het einde van de dialoog en van het participeren in een voortgaand conciliair proces binnen de Unie van Utrecht en binnen de oecumene. Wij willen onze overtuiging in dat proces inbrengen, maar de tegenstemmen en het andere denken niet tot zwijgen brengen.


Als een kerk zulke beslissingen niet met alle kerken kan delen, legt dat beperkingen op aan het functioneren van ambtsdragers, met name als zij vrouw zijn. Uit respect voor de opvattingen van kerken die zulke besluiten al of niet voorlopig afwijzen, kunnen zij daar niet hun ambt uitoefenen. Dat geldt voor priesters, maar nog meer voor bisschoppen, die juist de verbindingen met andere kerken hebben te stichten en te onderhouden. Dat is een negatieve kant en een last die voorlopig gedragen en verdragen moet worden. Maar zoals we ervaren hebben in andere kerken alsook in het proces binnen onze kerken, kan als gevolg van de bezinning op de betekenis van het kerkelijk ambt en van de wijze waarop vrouwen in de ambtsbediening functioneren, een vernieuwd besef en een dieper verstaan van datgene waarop het aankomt ons deel worden, wat ook vruchten zal dragen voor toenadering en voor het werk der hereniging.

Moge alles dienen tot opbouw van het lichaam van de Heer in liefde en de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, moge onze harten en gedachten bewaren in Jezus Christus, onze Heer (Fil. 4:7).

De feestdag van de H. Bartholomeus,
24 augustus 1999.

† Antonius Jan
aartsbisschop van Utrecht
† Jan Lambert
bisschop van Haarlem

= top =


Noten


Noot-1
Baptism, Eucharist and Ministry, Geneva, World Council of Churches, 1982. Faith and Order Papers, 111. Cfr. Doop, Eucharistie en Ambt. Verklaring van de Commissie voor Geloof en Kerkorde van de Wereldraad van Kerken, Lima, Peru, januari 1982, in: Archief van de Kerken, 37, 4 oktober 1982 (20), Voorwoord, p. 948-949. De volgende verwijzingen naar dit document worden aangeduid als BEM.


Noot-2
Op de vergaderingen van de Provinciale Synode van de geestelijken stonden de volgende onderwerpen en inleidingen op de agenda: Kerkelijk Ambt, 'Gaat met de dominee nu ook de priester voorbij' (16 mei 1991); 'Ambtelijk functioneren over de grenzen heen' (27 mei 1993), 'Ambten en bedieningen in de Oud-Katholieke Kerk' (19 mei 1994), Ambten en bedieningen (T,A. van EIJK, 1995), Vrouw en Ambt op de IBC-vergadering van Wislikofen II (1997).


Noot-3
In 1991 en 1997 werden twee zittingen van de Internationale Bisschoppen Conferentie van de Oud-Katholieke Kerken van de Unie van Utrecht gewijd aan de mogelijkheid van de openstelling van de ambten voor vrouwen. Deze vergaderingen hadden telkens plaats in Wislikofen (Zwitserland).

Internationaal en nationaal werden voornamelijk gesprekspartners uit de Rooms-Katholieke Kerk, de Orthodoxe kerken en de Anglicaanse Kerk uitgenodigd om de officiële standpunten van hun kerken toe te lichten. In 1998 ging een afvaardiging van de Internationale Oud-Katholieke Bisschoppenconferentie naar Constantinopel om persoonlijk aan Patriarch Bartholomeus de besluitvorming over de wijding van vrouw toe te lichten.


Noot-4
Voorafgaand aan dit besluit verscheen in mei 1997 de 'Pastorale brief bij het kerkelijk beraad over de priesterwijding van vrouwen', Oud-Katholieke Kerk van Nederland, Bisschoppelijk Buro, Amersfoort, mei 1997. Hierin wordt een overzicht gegeven hoe de besluitvorming binnen de Oud-katholieke Kerk vanaf 1976 tot stand is gekomen. In deze en latere teksten zijn ook gegevens te vinden die niet in deze brief opnieuw overgenomen worden. De pastorale brief ging ook vooraf aan de Internationale Bisschoppenconferentie van de Unie van Utrecht (6-15 juli 1997) en was bedoeld om het gesprek open te houden over de koers, die men in de kerk met elkaar verder wilde en kon gaan wat de wijdingen van vrouwen betreft.

'Aan de gelovigen van de Oud-Katholieke Kerk van Nederland in het bijzonder aan de leden van de Synode', in: Bisschoppelijk Mededelingenblad, XIX(4), Oktober 1998, p.41- 44. In deze brief, voorafgaand aan de bijzondere Synode van 31 oktober 1998 te Hilversum, wordt gesteld dat de bisschoppen geen fundamentele bezwaren van theologische, schriftuurlijke of kerkordelijke aard vinden die pleiten tegen de mogelijkheid om vrouwen op te nemen in kerkelijke ambten. Ook wordt aangegeven dat de tijd nu in de Oud-Katholieke Kerk van Nederland rijp is om tot een besluitvorming te komen en wordt het eigen standpunt toegelicht.

'Besluit van de bisschoppen van de Oud-Katholieke Kerk van Nederland naar aanleiding van de 66ste zitting van de Synode van 31 oktober 1998', Amersfoort/Hilversum, dinsdag 24 november, 1998. Het Collegiaal Bestuur en de bisschoppen, gehoord het advies van de Synode van 31 oktober, nemen het besluit om de mogelijkheid te openen dat ook vrouwen tot het drievoudig apostolisch ambt van diaken, priester en bisschop geroepen en gewijd kunnen worden. Verder wordt aangegeven welke weg gegaan zal worden. Zoals in eerdere brieven wordt ook aangegeven hoe men denkt om te gaan met degenen in de kerk, die zich niet kunnen vinden in het besluit.


Noot-5
Dit heeft geleid tot het opnemen van volgende formulering in de orde van de 'Viering van de eucharistie' voorafgaand aan de communie: 'Tot de heilige communie zijn allen genodigd die gedoopt zijn, in hun kerkgemeenschap deelnemen aan de tafel van de Heer en met ons zijn tegenwoordigheid willen vieren'. Kerkboek van de Oud-Katholieke Kerk van Nederland, Gooi en Sticht, Baarn, 1993, pag. 476.


Noot-6 - BEM, Ambt I,1.


Noot-7 - BEM, Ambt I,2.


Noot-8 - BEM, Ambt I,3.


Noot-9 - BEM, Ambt III, 12.


Noot-10 - BEM, Ambt III, 26.


Noot-11
De relatie geloof en cultuur is in het verleden steeds aan de orde geweest in de geschiedenis van de Oud-Katholieke Kerk van Nederland en van de andere Oud-Katholieke Kerken van de Unie van Utrecht. In de verschillende oud-katholieke tradities wordt ook niet altijd op dezelfde wijze een antwoord gegeven. Waar men aanvankelijk meer in de jansenistische traditie het onderscheid tussen geloof en cultuur benadrukte, werd vanaf de 19e eeuw, voornamelijk vanuit de meer liberale oud-katholieke tradities van Duitsland en Zwitserland (en hierbij later aansluitend Nederland), de dialoog met de cultuur ernstig genomen. Dit had consequenties voor de kerk: de synode werd ingesteld, het Nederlands ging het Latijn vervangen in de liturgie, het verplichte ongehuwd zijn van ambtsdragers werd niet langer meer vereist, enz.


Noot-12
In december 1987 werd door het Collegiaal Bestuur aan de Commissie Zelfstandig Diakonaat de opdracht gegeven om het zelfstandig diakonaat en de diakonale gesteldheid van de kerk te onderzoeken en hierover advies uit te brengen. Dit advies werd neergelegd in een rapport, mei 1989. De Oud-Katholieke Kerk heeft het diakonale aspect in de kerk willen versterken door ondermeer de aanstelling van een diakonaal consulent. Voor het zelfstandig diakonaat en de diakenambt binnen het drievoudig ambt werd tot nu toe nog geen regeling gevonden, die tot tevredenheid stemt.


Noot-13
Cfr. Koinonia auf altkirchliche Basis, Deutsche Gesamtausgabe der gemeinsamen Texte des orthodox-altkatholischen Dialogs 1975-1987, herausgegeben van Urs van Arx, Beiheft zur "Internationalen Kirchlichen Zeitschrift", 79.Jahr, Oktober-Dezember 1989, 4.Heft.


Noot-14 - BEM, Ambt II, 18.


Noot-15
Cfr. Utrechtse Bisschopsverklaring, (1889), onder nr.6; “De viering van de Eucharistie in de kerk is niet een voortdurende herhaling of vernieuwing van het zoenoffer, dat Christus eens en voor al op het kruis opgedragen heeft, maar haar offerkarakter bestaat daarin, dat zij de blijvende gedachtenis daarvan is, en een op aarde plaats hebbende wezenlijke vertegenwoordiging van die ene offerande van Christus voor het heil der verloste mensheid, welke (volgens Hebr. 9:11-12) voortdurend door Christus opgedragen wordt, terwijl Hij nu voor ons verschijnt voor het aanschijn Gods (Hebr. 9:24). Terwijl dit het karakter van de Eucharistie is ten opzichte van het offer van Christus, is zij tegelijk een geheiligd offermaal waarin de gelovigen, het Lichaam en Bloed des heren ontvangende, gemeenschap met elkander hebben (1 Kor. 10:17).

Dit is terug te vinden in het tweede eucharistisch gebed in het Kerkboek van de Oud-Katholieke Kerk van Nederland (1993, pag.434). "Zend dan, bidden wij, uw heilige Geest, de gever van alle leven en heiliging, over ons en deze, uw gaven: brood en wijn van eeuwig leven, en neem ze uit onze handen aan als een welgevallig offer, waarmee wij onszelf aan U aanbieden, opdat het brood, dat wij breken, gemeenschap is met het lichaam van uw Zoon en de drinkbeker, die wij zegenen, gemeenschap met zijn bloed."


Noot-16 - Cfr. Utrechtse Bisschopsverklaring, 1889, nr.1.


Noot-17 - BEM, Ambt II, 18.

 

Top pagina